Nevi PMI® maart 2024: Stijging naar 49.7

De kleinste achteruitgang in de 17 maanden periode van krimp

De PMI-hoofdindex steeg van 49.3 in februari naar 49.7 in maart. Dit is net onder de geen-veranderingsgrens van 50.0 en wijst op slechts een kleine verslechtering van de bedrijfsomstandigheden, de kleinste in de huidige periode van krimp van negentien maanden.

Net als in de afgelopen drie maanden, was de teruggang in de Nederlandse industrie in maart minder groot dan de maand ervoor. De productie omvang nam voor het eerst in ruim een jaar toe en het aantal nieuwe orders steeg voor het eerst in 20 maanden. In combinatie met een tweede achtereenvolgende maand met banengroei, steeg hierdoor de PMI-hoofdindex verder in de richting van de geen-veranderingsgrens van 50.0. De bedrijven verkleinden echter nog steeds hun voorraden. Ook was er sprake van een lichte daling van het optimisme over de toekomstige productieomvang, waardoor deze deelindex verder onder de historische tendens dook.

De Nevi PMI® voor de Nederlandse productiesector is een samengestelde indicator die met één cijfer de stand van zaken in de productiesector weergeeft en wordt samengesteld aan de hand van indicatoren voor nieuwe orders, productieomvang, werkgelegenheid, levertijden en voorraad ingekochte materialen.

Nevi PMI 2024.4 Chart Productiesector Nederland

De PMI-hoofdindex steeg van 49.3 in februari naar 49.7 in maart. Dit is net onder de geen-veranderingsgrens van 50.0 en wijst op slechts een kleine verslechtering van de bedrijfsomstandigheden, de kleinste in de huidige periode van krimp van negentien maanden.

“De PMI-hoofdindex steeg van 49.3 in februari naar 49.7 in maart. Dit is net onder de geen-veranderingsgrens van 50.0 en wijst op slechts een kleine verslechtering van de bedrijfsomstandigheden, de kleinste in de huidige periode van krimp van negentien maanden.”, schrijft David Kemps, Sector Banker Manufacturing bij ABN AMRO in zijn redactioneel commentaar op de Nevi PMI deze maand.

De productieomvang en het aantal ontvangen nieuwe orders hadden beide een positieve invloed op het PMI-cijfer. De verbetering van de prestatie van leveranciers (wat impliceert dat er sprake is van een zwakke vraag in de toeleveringsketens) en de aanhoudende afname van de materiaalvoorraad, zorgden er echter voor dat de PMI onder de 50.0 bleef steken.

Na negentien maanden van dalingen zagen de bedrijven in maart voor het eerst weer een stijging van het aantal nieuwe orders. Sommige panelleden schreven dit toe aan een verbetering van de vraag, terwijl anderen melding maakten van nieuwe projecten. De stijging was echter beperkt en lag onder het historische gemiddelde.

Na de hernieuwde stijging in februari was de buitenlandse vraag ook in maart groter. Dit betrof vooral orders van Europese klanten en was de grootste toename in bijna twee jaar. In reactie hierop vergrootten de Nederlandse producenten in maart hun productieomvang. Dit was de eerste stijging in iets meer dan een jaar, al bleef deze bescheiden.

Ondanks de hogere productievereisten bleven de bedrijven in maart hun inkoopactiviteiten verkleinen. Deze daling was echter beperkt en de kleinste in veertien maanden. De kleinere hoeveelheid ingekocht materiaal was grotendeels het gevolg van terughoudendheid van bedrijven met betrekking tot de voorraadniveaus. De materiaalvoorraad was in maart voor de veertiende maand op rij kleiner en er waren aanwijzingen dat sommige bedrijven hun voorraden bewust verkleinden. De voorraaddaling deze maand was de kleinste in deze periode van dalingen.

De levertijden voor bestelde goederen waren ondertussen wederom korter. Ondanks een aantal meldingen van vertraagde leveringen was er sprake van een minder grote druk op de capaciteit bij leveranciers en dit leidde tot een verbetering van de prestatie van leveranciers in maart. Het grotere aantal ontvangen nieuwe orders had in maart gevolgen voor de wervingsplannen van de bedrijven. De aanhoudende groei van de personeelsbestanden werd door de bedrijven toegeschreven aan het vervullen van vacatures. De banengroei was beperkt en ongeveer gelijk aan die van februari.

De daling van de hoeveelheid onvoltooid of nog niet uitgevoerd werk was ondertussen opnieuw groter en het grootst in drie maanden. De bedrijven schreven deze daling vooral toe aan de grotere personeelsbestanden, al waren er ook bedrijven die aangaven dat de kleinere achterstand het gevolg was van de matte vraag.

Op het prijsfront was er opnieuw sprake van lagere inkoopprijzen, maar wel was deze daling de kleinste in iets meer dan een jaar. Sommige panelleden schreven dit toe aan de lagere grondstofprijzen. De verkoopprijzen stegen in maart voor de derde achtereenvolgende maand. De verkoopprijsinflatie was bescheiden, maar wel iets hoger dan vorige maand en het hoogst in zeven maanden. Er was in maart wederom sprake van optimisme over de toekomstige productieomvang, wat het gevolg was van investeringsplannen, groeiprognoses en plannen van de bedrijven voor nieuwe projecten. Het vertrouwen was iets lager dan vorige maand en sommige bedrijven waren bezorgd over de toekomstige marktomstandigheden.