Afgelopen week 3586 bezoekers
13475 geregistreerde inkopers
1863 app gebruikers

Wat te doen als je als inschrijver twijfelt of je (winnende) concurrent voldoet aan een ervaringseis?

47 x bekeken

Geplaatst op: 09 jan. 2018

(Alexander H. Klein Hofmeijer) Opgedane ervaring dient meestal te worden bewezen met referentie-opdrachten. De aanbesteder dient te controleren of de ingediende referenties valide zijn. Inschrijvers weten veelal goed wat er in hun markt gebeurt en kunnen dus vaak ook heel goed inschatten of een concurrent aan de gestelde ervaringseisen kan voldoen.

Is de concurrent van mening dat de winnende inschrijver niet aan de gestelde ervaringseis kan voldoen, dan kan hij klagen bij de aanbestedende dienst. Aanbestedende diensten wijzen klachten van andere inschrijvers echter veelal af. De aanbesteder geeft daarbij aan dat de referenties van de winnende inschrijver zijn"geverifieerd" en dat het bedrijfsvertrouwelijke karakter van het onderwerp maakt dat daar niet meer over kan worden gezegd.

Regelmatig krijg ik de vraag wat deze klagende inschrijvers dan nog "kunnen". De gewezen inschrijvers hebben hun twijfels en kunnen die ook best onderbouwen, maar kunnen niet controleren of de referentie van de concurrent valide is. Uit de jurisprudentie vloeit als uitgangspunt voort dat de aanbesteder haar huiswerk correct en zorgvuldig uitvoert en dat de commerciële belangen van de winnende inschrijver in de weg staan aan een controle van ingediende referenties door een concurrerende inschrijver. Een concurrent heeft daarmee niet het "recht" om de referentie van de concurrent te controleren (vergelijk ook Rechtbank Noord-Holland).

Wat kan de concurrent dan nog? De klagende inschrijver zal objectieve twijfel moeten zaaien. Daartoe zal hij objectief verifieerbare informatie moeten inwinnen; de concurrent zal dus aan fact finding moeten doen. Hoe beter dat lukt en hoe meer informatie boven tafel kan worden gehaald, hoe meer de aanbesteder zich zal moeten inspannen om de opgegeven referentie te verifiëren en daarover verslag uit te brengen aan de klagende inschrijver. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat die bewijslast ten aanzien van van "twijfel" niet makkelijk wordt gehaald, maar dat het niet onmogelijk is om die lat te halen.

Zie bijvoorbeeld dit vonnis. In deze kwestie had P1, de afgewezen inschrijver, twijfels of Inpublic wel zelfstandig aan de gestelde minimumeis kon voldoen aangezien zij pas sinds kort actief was op de markt en de winnende inschrijver bij recente opdrachten nog een beroep had gedaan op (buitenlandse) ondernemers. De rechter oordeelde dat P1 in dit verband voldoende aannemelijk had gemaakt dat opdrachten met betrekking tot parkeerbeheer in overwegende mate worden vergund via aanbestedingsprocedures en dat informatie (zoals de naam van de referent) over eerder uitgevoerde opdrachten in de regel niet concurrentiegevoelig/bedrijfsvertrouwelijk is. De gemeente werd, gelet op de gerechtvaardigde twijfels van P1, gehouden inzicht te geven in de wijze waarop zij heeft beoordeeld of Inpublic voldoet aan de gestelde minimumeisen, door de naam van de referent bekend te maken en door aan te geven op welke gronden de gemeente meent dat die referent voldoet aan de gestelde minimumeisen. Het werd de gemeente vooralsnog verboden om definitief aan Inpublic te gunnen.

Mijn advies aan concurrenten die twijfelen aan de referenties van een winnende inschrijver is om zoveel als mogelijk objectief verifieerbare informatie in te winnen. Denk bijvoorbeeld aan informatie op de website van een concurrent, LinkedIn-profielen, informatie omtrent vergunningen, etc.

Maak bezwaar bij de aanbestedende dienst en neem in dat bezwaar ook de informatie op nemen die boven water is gekomen. Het is vervolgens aan de aanbestedende dienst om inzichtelijk te maken wat zij met die informatie heeft gedaan en waarom die informatie - in een voorkomend geval - geen aanleiding geeft om op de gunningsbeslissing terug te komen. Hoe concreter en meer bezwarend de informatie van de klagende inschrijver is, hoe verder de onderzoeksplicht van de aanbestedende dienst reikt en hoe concreter de aanbestedende dienst zal moeten zijn in zijn informatievoorziening richting de gewezen inschrijvers.

Komt de aanbestedende dienst deze transparantieverplichting niet na, dan kan de klagende inschrijver dat alsnog via een kortgeding afdwingen. De aanbestedende dienst mag de voorlopig gegunde overeenkomst vervolgens niet sluiten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Alexander.jpgHeeft u vragen naar aanleiding van dit bericht, of over andersoortige vragen op het gebied van aanbestedingen? Bel of mail mij dan op 010 – 303 29 49 of kleinhofmeijer@aanbestedingsspecialist.nl.

Ik dank mijn collega mevrouw De Jong voor haar aanzienlijke bijdrage bij de totstandkoming van dit artikel.

Bronlocatie van dit artikel
Lees meer

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws en aanbod via de nieuwsbrief

Webdesign & Webdevelopment by Webtraders