Er was in de Nederlandse industrie in februari met een lichte verbetering van de bedrijfsomstandigheden, opnieuw sprake van groei. De productieomvang nam in grotere mate toe en de laatste daling van het aantal nieuwe orders was beperkt.
Het vertrouwen in de vooruitzichten voor de komende twaalf maanden was aanzienlijk beter en de banengroei hield aan. Een forse stijging van de inkoopkosten en een zwakke onderliggende vraag zorgden er echter voor dat de bedrijven hun inkoopvolumes en voorraden verkleinden. De verkoopprijzen stegen daarbij in grotere mate en lagen boven het historische gemiddelde.
De Nevi PMI® voor de Nederlandse productiesector is een samengestelde indicator die met één cijfer de stand van zaken in de productiesector weergeeft en wordt samengesteld op basis van indicatoren voor nieuwe orders, productieomvang, werkgelegenheid, levertijden en voorraad ingekochte materialen.
De PMI-hoofdindex steeg van 50.1 in januari naar 50.8 in februari. Dit laatste cijfer wijst op een bescheiden verbetering van de stand van zaken in de sector, die overeenkomt met het gemiddelde voor 2025.
Van de vijf deelindexen leverden de productieomvang, het aantal nieuwe orders en de voorraad ingekocht materialen een positieve bijdrage.
De vraag naar in Nederland geproduceerde goederen daalde opnieuw, wat bleek uit een tweede achtereenvolgende daling van het totale aantal ontvangen nieuwe orders. Deze laatste daling was echter gering en was grotendeels het gevolg van een hernieuwde daling van het aantal nieuwe exportorders. De daling van de buitenlandse verkoop was bescheiden, maar wel de grootste in bijna een jaar. De bedrijven die melding maakten van een kleiner aantal nieuwe orders schreven dit toe aan de matte wereldwijde vraag en aan een gebrek aan investeringen.
Ondanks de daling van het aantal nieuwe orders, verhoogden de Nederlandse producenten in februari hun productie. Respondenten gaven aan dat zij vaak bezig waren met bestaande orders of nieuwe projecten. De productiestijging was het grootst in drie maanden, maar bleef historisch gezien bescheiden.
De productiebedrijven bleven zich in februari richten op het wegwerken van hun achterstanden en de daling van de hoeveelheid onvoltooid of nog niet uitgevoerd werk was fors. De werkgelegenheid nam daarbij voor de derde achtereenvolgende maand toe, al was de banengroei beperkt en het kleinst in de huidige periode van groei.
De Nederlandse fabrikanten gaven opnieuw de voorkeur aan kleinere voorraden. Een aantal bedrijven maakte melding van inspanningen om de voorraden te verkleinen, nu de orderinstroom minder groot was. De daling van zowel de materiaalvoorraad als de voorraad eindproducten was echter kleiner dan in januari, waarbij die van de materiaalvoorraad miniem was.
Om deze kleinere voorraden mogelijk te maken, verkleinden de bedrijven in februari hun inkoopactiviteiten voor de vierde achtereenvolgende maand. Deze krimp was bescheiden, maar wel de grootste sinds juni vorig jaar.
De lagere inkoopniveaus konden de druk op de toeleveringsketens niet volledig wegnemen en er werd melding gemaakt van vertraagde leveringen als gevolg van voorraadtekorten. De verslechtering van de prestatie van leveranciers was fors, maar ook de kleinste in vier maanden.
Wat de prijzen betrof, stegen de operationele kosten voor de Nederlandse productiebedrijven in februari aanzienlijk. De inflatie was het hoogst in bijna een jaar en de bedrijven maakten melding van hogere kosten voor grondstoffen, waaronder metalen, en voor lonen.
De bedrijven berekenden een deel van deze kostenstijgingen door aan hun klanten in de vorm van hogere verkoopprijzen. De verkoopprijsinflatie was eveneens fors en het hoogst in elf maanden.
Positief was dat de Nederlandse producenten optimistisch waren over de productievooruitzichten voor het komende jaar. Dit vertrouwen klom weer naar boven het langetermijngemiddelde en werd ondersteund door optimisme over de ordervooruitzichten, toekomstige productlanceringen en marketinginspanningen.




