De verbetering van de algemene bedrijfsomstandigheden in de Nederlandse industrie zette zich in oktober voort.
Hoewel de groei kleiner was dan de maand ervoor, was de productiestijging fors en een van de grootste in meer dan vierenhalf jaar. Zowel de totale als de buitenlandse verkoop stegen in mindere mate, terwijl de groei van de werkgelegenheid eveneens kleiner was.
De toeleveringsketens verslechterden aanzienlijk en in toenemende mate, wat verder bijdroeg aan de kostendruk en de bedrijven ertoe aanzette om buffervoorraden op te bouwen.
De Nevi PMI® voor de Nederlandse productiesector is een samengestelde indicator die met één cijfer de stand van zaken in de productiesector weergeeft en is samengesteld op basis van indicatoren voor nieuwe orders, productieomvang, werkgelegenheid, levertijden en voorraad ingekochte materialen.
De PMI-hoofdindex kwam in oktober uit op 55.0, wat wijst op een duidelijke verbetering van de bedrijfsomstandigheden in de Nederlandse productiesector. Dit cijfer was slechts iets lager dan de 55.6 van september en bleef historisch gezien hoog.
Vier van de vijf PMI-componenten hadden een negatieve impact op de index, waarbij de grootste negatieve bijdrage afkomstig was van de deelindex voor het aantal nieuwe orders.
Hoewel de Nederlandse producenten opnieuw melding maakten van een forse stijging van het aantal ontvangen nieuwe orders, was deze minder groot dan in september. Op subsectorniveau bleef de vertraging echter beperkt tot de producenten van consumptiegoederen. De minder grote groei van het totale aantal nieuwe orders viel samen met een zwakkere stijging van de buitenlandse verkoop, die grotendeels overeenkwam met het langetermijngemiddelde.
De productieomvang in Nederland nam in oktober opnieuw fors toe, zij het iets minder dan vorige maand. Ruwweg een kwart van de bedrijven maakte melding van een productiestijging, vergeleken met bijna 16% die een daling noteerde. De subsector halffabricaten zag van de drie onderzochte categorieën veruit de sterkste groei.
Net als bij de andere deelindexen waren de bedrijven in oktober ook iets minder optimistisch over hun vooruitzichten voor de productieomvang voor de komende twaalf maanden. Het ondernemersvertrouwen bleef echter wel boven het langetermijngemiddelde en er werd melding gemaakt van goede vooruitzichten voor de vraag en het potentiële aantal nieuwe orders, alsmede voor het op de markt brengen van nieuwe producten.
De Nederlandse fabrikanten breidden in oktober voor de vijfde keer in zes maanden hun personeelsbestanden uit. Hoewel de groei van de werkgelegenheid slechts gering was, lag deze boven het historisch gemiddelde van dit onderzoek. De panelleden gaven aan dat zij vaak nieuw personeel hadden aangenomen om de werklast beter het hoofd te kunnen bieden. Tegelijkertijd nam het aantal onvoltooide of nog niet uitgevoerde orders in oktober voor de zesde maand op rij toe. Hoewel deze stijging beperkt was, stond deze toename van de achterstanden in contrast met de langetermijntendens van dalingen.
De grotere productievereisten als gevolg van het toegenomen aantal nieuwe orders leidden ertoe dat de inkoopactiviteiten aan het begin van het vierde kwartaal voor de achtste maand op rij werden uitgebreid. Deze stijging was kleiner dan in september, toen een van de grootste stijgingen werd genoteerd in meer dan vier jaar, maar bleef desondanks hoog. Sommige bedrijven schreven het grotere inkoopvolume toe aan pogingen om productieonderbrekingen te voorkomen in een periode van lange levertijden.
De gemiddelde levertijden stegen aan het begin van het vierde kwartaal dan ook duidelijk. Deze laatste verslechtering van de toeleveringsketens was bovendien de grootste in drie maanden, wat werd toegeschreven aan materiaaltekorten, lage waterstanden in rivieren en verstoringen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. De materiaalvoorraden stegen in oktober dan ook fors omdat de bedrijven hun buffervoorraden verder vergrootten.
De prijsdruk nam in oktober verder toe. Zowel de inkoop- als de verkoopprijsinflatie bereikte het hoogste niveau in drie maanden en lag boven het onderzoeksgemiddelde. De respondenten betaalden naar verluidt meer voor grondstoffen, energie, lonen, brandstof en transport, vaak als gevolg van geopolitieke instabiliteit.




